Het omzetten van een vlakke plaat naar een driedimensionaal product wordt vaak gedaan door middel van buigen. Buigen is een vrij complexe techniek, omdat er vele factoren zijn die het eindresultaat beïnvloeden: materiaalsoort, materiaaldikte, walsrichting, warmte-invloeden, gereedschapsslijtage, groefbreedte, bovenmes, verkortingswaardes, zethoeken, binnenradius, invloed van gaten… In dit hoofdstuk worden de belangrijkste aspecten van het buigen behandeld.
Kepser Pro-Metaal maakt gebruik van het zogenaamde vrijbuigen, (Fig.8.1) omdat dit de meest flexibele manier is om een hoek te buigen. Door de bovenstempel naar beneden te bewegen, wordt de te buigen plaat in de ondermatrijs gedrukt. De hoek die hierdoor ontstaat hangt niet af van het gereedschap, maar van de indrukdiepte en de plaatdikte. Omdat zowel de bovenmessen als de ondermatrijzen uit gedeelde stukken bestaan, kan voor elk product een opstelling worden gemaakt waarmee het optimaal kan worden gezet. Voor het zetten van RVS wordt band gebruikt om beschadiging van het materiaal tegen te gaan. (Fig. 8.2) Kepser Pro-Metaal heeft vier kantbanken, alle uitgerust met grafische weergave van het buigproces op het beeldscherm en hoekcontrole door middel van het zogenaamde ACB-systeem (nadere toelichting op het ACB-systeem verderop in dit hoofdstuk). De programma’s op de Trumpf banken zijn onderling uitwisselbaar, mits de afmetingen van het product toelaatbaar zijn op een andere bank. De maximale lengte van het te zetten product is 4080 mm (informatie over de afmetingen per kantbank verderop in dit hoofdstuk).
Belangrijk bij het buigen is de verhouding tussen de groefbreedte en de plaatdikte en de bijbehorende inwendige productradius. In de regel wordt de verhouding groefbreedte = 8 x plaatdikte gehanteerd. Het is echter mogelijk op een grotere of kleinere groef te buigen. Afwijkende combinaties moeten individueel bekeken worden.
Voor de bijbehorende radius geldt:
De buigkracht wordt berekend met de volgende formule: F= C*Rm*B*S²/V.
F = buigkracht.
C = correctiefactor, Trumpf rekent met 1.33.
Rm = treksterkte.
B = breedte product.
S = plaatdikte.
V = groefbreedte.
De maximale buigkracht is 400 kN/m kantlengte.
Bij het zetten kan een hoeknauwkeurigheid van ± 0,5 graad worden gegarandeerd.
Nadat een plaat in een bepaalde hoek is gebogen veert deze altijd terug. Om deze terugvering te compenseren wordt de plaat iets verder gebogen dan de benodigde hoek. De exacte grootte van de terugvering is echter moeilijk in te schatten; die kan zelfs bij dezelfde materialen per keer verschillen. Om dit te voorkomen zijn de kantbanken van Kepser Pro-Metaal voorzien van een ACB-systeem (Automatically Controlled Bending). (Fig. 8.3) Dit systeem berekent automatisch hoever een plaat moet worden doorgedrukt om tot de gewenste hoek te komen. Na het zetten van de hoek komt het bovenmes hiertoe een stuk omhoog, waarna de terugvering wordt gemeten. (Fig. 8.4) Aan de hand van deze meting wordt het bovenmes nogmaals in de hoek gedrukt en corrigeert het systeem het product automatisch tot de gewenste hoek. Het ACB-systeem garandeert een nauwkeurigheid van 0.3 graad.
Afwijkingen in productlengte die door het lasersnijden zijn veroorzaakt, worden door het buigen vergroot. Bij Kepser Pro-Metaal blijven afwijkingen altijd kleiner dan 0.2 mm per zetting. Voor afwijkingen bij meerdere zettingen zie Fig. 8.5.
Vaak is het noodzakelijk of gewenst om een stuk uit de plaat te halen alvorens deze te buigen. Vervorming van de buiging in de hoek is gedeeltelijk op te vangen als het gat nog goed dicht te lassen is. Door het lassen treedt namelijk krimp van het materiaal op en kunnen de gezette delen nog wat naar elkaar toe trekken, waardoor de haaksheid beter wordt dan vlak na het zetten.
Om de afstand van het gat tot de buiglijn te bepalen worden verschillende formules gehanteerd voor verschillende gatvormen. We maken onderscheid tussen ronde gaten, vierkante gaten en sleufgaten. (Fig. 8.7 + 8.8)
Xmin = minimale afstand tot onderkant gat
s = plaatdikte
d = gatdiameter
Ri = binnenradius
b = gatbreedte (sleufgaten en vierkante gaten)
Let op: bij gebruik van deze formules is het belangrijk de juiste radius toe te passen!
Kepser Pro-Metaal hanteert groef 20 als ideale groef- breedte voor 3 mm (24 is niet voorhanden).
| Ondergereedschap | ||||
|---|---|---|---|---|
| Type | Groefbr. | Stand. plaatdikte | Totale br. | Radius zijkant groef |
| OZU-351 | 8 | 1 | 16 | 2.5 |
| OZU-352 | 12 | 1.5 | 20 | 3 |
| OZU-353 | 16 | 2 | 30 | 3.5 |
| OZU-363 | 20 | 3 | 35 | 4 |
| OZU-031 | 30 | 4 | 40 | 3 |
| OZU-032 | 40 | 5 + 6 | 50 | 4 |
| OZU-016 | 60 | 8 + 10 | 80 | 5 |
| OZU-081 | 10 rechte groef, pletten |
1 + 1,5 + 2 | 50 | |
Soms moeten gaten dichter bij de buiglijn komen te liggen dan volgens bovenstaande formules mogelijk is. Een truc die dan toegepast kan worden is het maken van een insnijding op de buiglijn. (Fig. 8.10) Deze truc gaat niet alleen op voor gaten maar ook voor andere vormen die dicht bij de hoek liggen. Hiertoe moeten echter eerst de volgende vragen worden beantwoord:
Het dichtlassen zorgt namelijk voor extra bewerkingen, dus kosten, en het product kan er mogelijk door vervormen. Een zo groot mogelijke opening, het liefst over de hele buigzone, geniet de voorkeur.
Hanteer de volgende regels als de opening zo klein mogelijk moet zijn:
De minimale lengte van het te buigen been (instelling achteraanslag) is afhankelijk van het gebruikte ondergereedschap. (Fig. 8.11) Onderstaande tabel bevat een overzicht van de minimale beenlengte bij verschillende typen ondergereedschap.
Smalle producten zijn beter te zetten dan brede producten. Brede producten zijn namelijk niet altijd exact recht/recht op de zetbank te positioneren, waardoor er onnauwkeurigheden kunnen optreden.
| Ondergereedschap | ||
|---|---|---|
| Type | Stand. plaatdikte | Minimale beenlengte =½* groefbreedte + radius matrijs + 1 mm |
| OZU-351 | 1 | 6.5 |
| OZU-352 | 1.5 | 9 |
| OZU-353 | 2 | 11.5 |
| OZU-363 | 3 | 14 |
| OZU-031 | 4 | 18 |
| OZU-032 | 5 + 6 | 24 |
| OZU-016 | 8 + 10 | 35 |
Bij het vermelden van de minimale U-profielen die gebogen kunnen worden wordt uitgegaan van binnenmaten, (Fig. 8.12) zodat de plaatdikte geen invloed heeft in de tabel. Bij het buigen van U-profielen wordt gewerkt met het bovenmes BIU-033/2. (Fig 8.13)
De minimale afmeting van het te buigen U-profiel is afhankelijk van de plaatdikte in combinatie met bijbehorende groefbreedte (8 x s) en de afmeting van het bovenmes. Er is op drie manieren naar de minimale U gekeken:
| Plaatdikte | Stand. groef | Minimale B-lengte | Minimale A-lengte | |||
|---|---|---|---|---|---|---|
| B min gegeven | A max berekend | A min berekend | A min gegeven | B min berekend | ||
| 1 | 8 | 6.5 | - | - | 6.5 | 10.5 |
| 1.5 | 12 | 9 | - | - | 9 | 10.8 |
| 2 | 16 | 11.5 | 11.5 | 11.5 | 11.5 | 11.5 |
| 3 | 20 | 14 | 22.4 | 14 | 14 | 12.6 |
| 4 | 30 | 18 | 40.6 | 18 | 18 | 15.3 |
| 5 | 40 | 24 | 56.5 | 24 | 24 | 20.8 |
| 6 | 40 | 24 | 56.5 | 24 | 24 | 20.8 |
De maximale afmetingen zijn afhankelijk van de afmetingen van het mes en de machine. Door de lengte van B op te laten lopen wordt duidelijk wat de maximale A-lengte mag zijn (zie tabel op deze pagina; (Fig. 8.15) voor tussenliggende waardes kan geïnterpoleerd worden). Tot de B-lengte van 130 is de vorm van de U afhankelijk van het mes, daarna van de bovenbalk. De tabel is samengesteld op basis van het gebruik van een bovenmes zonder tussenstuk en zonder opening tussen het mes en de klembalk. Voor grote U-vormen kan bekeken worden wat de mogelijkheden zijn als er tussenstukken worden toegepast.
In de tabel is uitgegaan van 2 zettingen voor het vervaardigen van een profiel zonder dat daarbij de gezette zijde vervormt.
| B | A max |
|---|---|
| 25 | 57.5 |
| B | B+32.5 |
| 95 | 127.5 |
| 105 | 131.1 |
| 115 | 129.1 |
| 125 | 126.7 |
| 135 | 123.8 |
| 145 | 132.2 |
| 155 | 127.8 |
| 165 | 126.8 |
| 175 | 132.5 |
| 185 | 136.9 |
| 195 | 142.6 |
| 215 | 165.5 |
| 225 | 182.5 |
| B | B-42.5 |
| 770 | 727.5 |
De minimale afmeting van een te buigen doos hangt af van de minimale afmeting van een te buigen U en het smalst beschikbare mes. Het smalste zwanenhals bovenmes van Kepser Pro-Metaal is 20 mm.
De minimale afmeting van een Z-vorm hangt af van de afmetingen van de onderbalk en de matrijs. Het bovenmes heeft geen invloed. De maximale werkhoogte is 1050 mm (hoogte inclusief ondermatrijs). De onderstellen van de V85 en V130 (Tab. 8A) zijn identiek; alleen de maximale lengte van het product is anders. De V170 (Tab. 8B) heeft een bredere onderbalk, waardoor hier andere waardes voor de minimale Z-vorm voor gelden. De Z-vorm is op twee manieren te buigen, afhankelijk van het punt waar de nauwkeurigste maat moet komen. (Fig. 8.18)
V85 en V130 (Tab. 8A)
| V85 | V130 | |
|---|---|---|
| Zetbreedte | 2050 | 3060 |
| Halsdiepte | 410 | 410 |
| Afstand tussen de halzen | 1750 | 2690 |
V170 (Tab 8B)
| V170 | |
|---|---|
| Zetbreedte | 4080 |
| Halsdiepte | 410 |
| Afstand tussen de halzen | 3680 |
V85 en V130
| Minimale afmeting C in relatie tot A (mm) | ||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| C | ||||||||
| Plaatdikte | Stand. groef | Min A | Min A≤A≤100 | 100≤A≤135 | 135≤A≤260 | 260≤A≤860 | B min | B (max) |
| 1 | 8 | 6.5 | 9.5 | 53 | 62.6 | 98 | 6.5 | : |
| 1.5 | 12 | 9 | 12.25 | 53 | 62.6 | 98 | 9 | : |
| 2 | 16 | 11.5 | 19 | 53 | 62.6 | 98 | 11.5 | : |
| 2.5 | 20 | 14 | 20.5 | 53 | 62.6 | 98 | 14 | : |
| 3 | 20 | 14 | 21.1 | 53 | 62.6 | 98 | 14 | : |
| 4 | 30 | 18 | 24.8 | 53 | 62.6 | 98 | 18 | : |
| 5 | 40 | 24 | 31 | 53 | 62.6 | 98 | 24 | : |
| 6 | 40 | 24 | 32.2 | 53 | 62.6 | 98 | 24 | : |
V170
| Minimale afmeting C in relatie tot A (mm) | ||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| C | ||||||||
| Plaatdikte | Stand. groef | Min A | Min A≤A≤100 | 100≤A≤135 | 135≤A≤260 | 260≤A≤860 | B min | B (max) |
| 1 | 8 | 6.5 | 9.2 | 82.5 | 100 | 119 | 6.5 | : |
| 1.5 | 12 | 9 | 11.8 | 82.5 | 100 | 119 | 9 | : |
| 2 | 16 | 11.5 | 18.6 | 82.5 | 100 | 119 | 11.5 | : |
| 2.5 | 20 | 14 | 20.5 | 82.5 | 100 | 119 | 14 | : |
| 3 | 20 | 14 | 21.1 | 82.5 | 100 | 119 | 14 | : |
| 4 | 30 | 18 | 24.8 | 82.5 | 100 | 119 | 18 | : |
| 5 | 40 | 24 | 31 | 82.5 | 100 | 119 | 24 | : |
| 6 | 40 | 24 | 32.2 | 82.5 | 100 | 119 | 24 | : |
De lengte X (Fig. 8.19) is afhankelijk van de groefbreedte waarop gezet wordt. Dit i.v.m. de totale breedte van de ondermatrijs.
| Plaatdikte | Stand. groef | Min A | Totale breedte | Lengte X |
|---|---|---|---|---|
| 1 | 8 | 6.5 | 16 | 9.2 |
| 1.5 | 12 | 9 | 20 | 12.25 |
| 2 | 16 | 11.5 | 30 | 19 |
| 2.5 | 20 | 14 | 35 | 20.5 |
| 3 | 20 | 14 | 35 | 21.1 |
| 4 | 30 | 18 | 40 | 24.8 |
| 5 | 40 | 24 | 50 | 31 |
| 6 | 40 | 24 | 50 | 32.2 |
Om dun plaatmateriaal op bepaalde plaatsen te verstevigen of scherpe randen te vermijden kan het op deze plaatsen worden geplet ofwel dubbelgevouwen. (Fig. 8.20) Dat gebeurt in twee stappen. Eerst wordt de flens zo ver mogelijk gebogen. Vervolgens wordt hij platgedrukt. Na het pletten is de totale hoogte 2 tot 2.5 keer de oorspronkelijke plaatdikte. De maximale lengte van de flens is niet van belang, aangezien het materiaal in de hoek wordt doodgedrukt, waardoor de gehele flens vervormt. De maximale plaatdikte die men kan pletten is 3 mm, de maximale lengte van een te pletten stuk 3 meter.
Het buigverlies is van vele factoren afhankelijk: materiaalsoort, materiaaldikte, walsrichting, warmte-invloeden, gereedschapsslijtage, groefbreedte, bovenmes, zethoeken, binnenradius... Het uitrekenen van plaatuitslagen en bijbehorende buigverliezen gebeurt bij Kepser Pro-Metaal met het 3D CAD-pakket. In de tabel hieronder staan de buigverliezen voor de meest gebruikte materiaal-soorten, gezet op de standaardgroef bij een hoek van 90 graden. Overige buigverliezen kunnen worden opgevraagd.
| Buigverliezen 90 graden | |||
|---|---|---|---|
| Plaatdikte (mm) | Groef (mm) | S235 JR | RVS 304 |
| 1 | 8 | -2.08 | -2.34 |
| 1.5 | 12 | -2.87 | -3.33 |
| 2 | 16 | -4.17 | -4.34 |
| 2.5 | 20 | -4.97 | -5.27 |
| 3 | 20 | -5.48 | -6.02 |
| 4 | 30 | -7.18 | -8.13 |
| 5 | 40 | -9.31 | -10.57 |
| 6 | 40 | -10.71 | -11.60 |
| 8 | 60 | -14.58 | - |
| 10 | 60 | -17.46 | - |